Drieluik (P-Taak 1)


Identiteit

“Als het waar is dat wij onze identiteit ontlenen aan ons verleden dan is de vernietiging van het landschap van onze jeugd ook een aanslag op onze identiteit”






Leerautobiografie
Peuterschool
Toen ik ongeveer drie jaar was bracht mijn moeder me bij de peuterschool. De peuterschool was vlakbij ons huis. Ik leerde op de peuterschool om met andere kindjes om te gaan, vriendjes te maken, spelen en te knutselen. Terwijl ik veel andere kindjes zag die huilden, omdat hun moeder wegging, had ik dat absoluut niet. Ik kon mij ook wel zonder moeder vermaken.
Basisschool
Op vijfjarige leeftijd ging ik naar de basisschool. Ik vond dat erg spannend. Voor mijn leeftijd was ik al aardig slim. Ik kon al een beetje lezen en schrijven. Op de basisschool groep 1-2 leerde ik liedjes zingen en leerzame spelletjes spelen, schoenen veteren . Ook moesten we op zwemles. Dat stelde toen nog niet zoveel voor: we moesten met z’n allen in het pierenbadje spelen.
In groep 3-4 leerde ik goed lezen, schrijven, klokkijken en een beetje rekenen. In groep vier kregen we al tafels van 1 t/m 10. Ik was daar erg goed in. De meeste kinderen hadden meer dan de helft fout, terwijl ik alle tafels foutloos uit me hoofd kende. In groep vier kregen wij ook blokfluitles. Hier was ik minder goed in. Ik vond er ook niet heel veel aan. Toch rondde ik groep 3-4 met uitstekende cijfers af.
In groep 5-6 leerde ik moeilijkere rekensommen. We moesten ook spreekbeurten houden, wat ik erg leuk vond. Voor de rest gingen mij deze twee klassen zo gemakkelijk af dat ik niet meer echt weet wat we nog allemaal leerden.
Groep 7-8 werd al pittiger voor mij. Vooral groep zeven. Ik had een hekel aan die moeilijke rekensommen. Ook vond ik de lessen: verkeersles, Fries, en Hylpers niet zoveel aan. Misschien komt het daarom dat ik gewoon Nederlands blijf praten. Het was niet allemaal stom.. iets wat ik heel leuk vond, was spelling en dictee. Ik was daar heel erg goed in en bij 0 fout mocht je achter de computer! In groep acht deden wij als groep van zeven leerlingen niet veel meer. We mochten veel zelfstandig werken (met antwoordenboekje erbij). We zaten toen steeds te fantaseren over het voortgezet onderwijs.
Voortgezet onderwijs
Na lang nadenken besloot ik, net als mijn vriendinnen, naar de school Bogerman te Koudum te gaan. Het was een kleine gezellige school. Ik kwam in een havo/vwo klas terecht samen met mijn beste vriendin. Ik moest er wennen aan het huiswerk dat we steeds opkregen. Ook kregen we te maken met nieuwe vakken: Frans, Duits, biologie. De eerste week van mijn voortgezet onderwijscarrière had al direct een liefde uit de derde klas. Na een week zag ik die jongen niet meer zitten en ging ik over op de volgende. Dat ging zo een tijdje door.. ik had een behoorlijke grote mond in de klas en hoefde ook niet veel voor school te doen om een goed cijfer te willen halen. In de vakken BeVo en techniek was ik heel slecht. Ik hield er niet zo van om met me handen te werken en je ‘kunst’ werk dan op tijd in te leveren. De eersteklas overleefde ik met zeer goede cijfers, maar in de tweede klas veranderden die goede cijfers in onvoldoendes.
De tweede klas was een stuk moeilijker. Ik had een vriendje en ging al veel op stap, dus had niet echt zin mij druk te maken om school. Zo haalde ik eens op wiskunde een 1.1. dat was wel even schrikken voor mij en mijn mentor haalde mijn moeder erbij. Er werd toen besloten dat ik niet meer in de buurt van mijn beste vriendin mocht zitten, wiskundebijles zou gaan krijgen en ALLE hoofdstukken voor wiskunde overnieuw moest doen. Dit deed ik dus. Ik kon weer van voor af aan beginnen aan wiskunde. De toets waar ik een 1.1 op haalde, werd toen een 9.2. de onvoldoendes werden weer voldoendes. Op het nippertje kon ik op de havo blijven!
In de derde klas ging ik meteen hard aan het werk om te voorkomen dat ik weer in moeilijkheden zou komen. Dat ging erg goed, alleen op het einde van het schooljaar ging ik toch weer even de mist in. Ik verviel in me oude gewoonte. Gelukkig had het geen extreme gevolgen. De lage cijfers (tweeën en drieën) kwamen weer binnen door mijn lamlendigheid, maar doordat ik zulke goede cijfers op het begin van het jaar gehaald had, bleef ik nog net op de voldoendes staan. Ik mocht over naar de vierde klas havo en moest van de school Koudum verhuizen naar de school in Sneek.
In de vierde klas kwam ik bij een vriendin van me in de klas. Zij was altijd erg goed met school bezig en erg serieus. Dit zorgde ervoor dat ik haar niet wilde teleurstellen en mij dom wilde voelen, dus ook ik ging heel fanatiek aan de gang. De vierde klas verliep vlekkeloos, zonder onvoldoendes. Ik leerde in de vierde klas goed te kunnen plannen.
Toen kwam ik terecht in vijf havo, examenjaar dus. Ik was meteen op het begin erg zenuwachtig voor het examen. Die zenuwen zorgde voor een moeilijke start op het begin van het jaar. Ik haalde weer een aantal onvoldoendes. Ongeveer in november was ik er weer helemaal bij en ging ik hard aan het werk met school. We moesten, mijn vriendin en ik, ook een profielwerkstuk maken. Dit was erg zwaar. Het heeft ons nachtwerk opgeleverd! Uiteindelijk waren we erg trots met het resultaat. We waren zelfs genomineerd voor het PWS-award en werden daarbij tweede met de beoordeling: ‘excellent’. Daarna gingen alle voorbereidingen op het examen ook goed. Eenmaal toen het examen eraan kwam, schoot ik weer in de stress. Ik kon gewoon niet meer leren van de stress. Toch heb ik, ondanks mijn slechte voorbereiding op het examen, goede cijfers gehaald en heb ik een havodiploma zonder onvoldoendes!
Ik ben er erg trots op mijn havodiploma. In de zomervakantie had ik mezelf ook heerlijk verwend door lekker te luieren! Aan het einde van de vakantie ging ik mij pas ingeschrijven voor lerarenopleiding geschiedenis. Zoals het nu lijkt ben ik er blij met mijn keuze! Ik vind het een hele leuke opleiding. Maar wie weet wat er nog allemaal gaat komen..



Leerstijlentest van Kolb: de Denker

“Voor een denker ligt de nadruk op de (logische) samenhang tussen zaken.
Een denker houdt zich het liefst bezig met het vormen van begrippen. Het maken van theoretische modellen is de kracht van de denker. Voor de denker staan nauwkeurigheid, logica en het denken in zuivere, abstracte begrippen op de eerste plaats. Vanuit de (gemaakte) theoretische modellen probeert de denker richting de werkelijkheid te komen.

Optimale leeromgeving:

· Zelfstandig leerstof doornemen en dit binnen zijn eigen denkwereld vorm te geven
· Orde en rust
· De mogelijkheid om achtergrondinformatie te krijgen
· Complexe vraagstukken worden als uitdaging gezien
· Een duidelijk programma en duidelijke (leer)doelen”
Uw leerstijl: Denker

Reflectie op leerstijl: de Denker
Met de leerstijl ‘de denker’ voel ik mij aardig thuis. Ik ben ook echt een denker. Er zijn mensen die mij verlegen vinden, maar dat ben ik helemaal niet. Ik denk juist bij mensen die ik niet ken lang na voordat ik iets wil zeggen, terwijl anderen juist weer direct zeggen voordat ze erbij nadenken. Ik kan mij ook thuis zo vermaken zonder laptop, boek, tv enz. Ik hoef alleen maar te zitten, ik kan dan een heel verhaal in mijn hoofd bedenken. Dit zorgt ervoor dat ik ook heel goed alleen kan zijn zonder mij te vervelen.
Vroeger uitte ik mijn denken ook vaak in schrijven. Velen kennissen vinden dat ik iets met schrijven moet gaan doen. Mijn eerste plan was ook om naar de journalistiek te gaan, maar helaas vond ik Zwolle te ver weg en dat viel niet te combineren met mijn paarden.
Dat mijn leerstijl ‘de denker’ is verbaast mij dus helemaal niet. Als ik ga leren, denk ik altijd goed na van: wat lees ik nu eigenlijk? Leren is iets wat ik liever voor mezelf doe. Het is mijn eigen verantwoordelijkheid en vind niet dat iemand daar iets bij nodig heeft. Er zijn zoveel manier van leren, laat ieder zijn eigen manier ontwikkelen. Ik heb bij leren ook niet iets van dat ik er echt actief mee bezig wil, zoals het maken van opdrachten of samenvattingen maken. Ik maakt heus wel eens een samenvatting, maar bij voorkeur leer ik liever door in alle rust alles door te lezen. Ik vind leren op school ook erg lastig; ik kan niet goed tegen die drukte dan om mij heen.
Ik moet er zelf wel om denken dat ik niet ‘teveel’ ga denken. Daar heb ik soms ook last van. Ik maak het mezelf dan moeilijker dan het eigenlijk is. Vriendinnen zeggen ook welles tegen mij dat ik niet te moeilijk moet doen. Dat waardeer ik wel als iemand mij daar dan even op wijst. Hoewel ik zelf heel blij ben dan ik een ‘denker’ ben, zitten er natuurlijk altijd wel nadelen aan.




Leerstijl Vermunt


Leerstijl
onderdelen

**Reproductiegerichteleerstijl**
**Betekenisgerichteleerstijl**
**Toepassingsgerichteleerstijl**
**Ongerichteleerstijl**
Leervaardigheden
Onthouden en uit elkaar halen.
Relaties leggen en hier kritisch naar kijken.
Concreet toe kunnen passen in een situatie.
Weinig verwerking.
Regelen van je leren
Externe sturing.
Interne sturing.
Intern en extern sturing.
Stuurloos.
Voorkeur leermotivatie
Gericht op diploma of certificaat
Gericht op persoonlijke
interesse

Gericht op het aanleren van het beroep.
Niet duidelijk gericht op iets.
Leeropvatting
Leerstof opnemen, onthouden en kunnen navertellen.
Leerstof kunnen opbouwen. Steeds meer leren
Leerstof gebruiken in toekomstig beroep.
Stimulans door anderen staat centraal


De uitslag:
De leerstijl van Vermunt vond ik erg interessant. Er zaten in de stellingen waar je ‘ja’,’nee’ of ‘soms kon antwoorden veel spellingfouten. Ik vond de stellingen ook wel heel apart soms, maar dat is mijn mening. Ik had de meeste punten bij ‘Toepassingsgerichte leerstijl’ en bij ‘Ongerichte leerstijl’. Dit vind ik vreemd, omdat deze twee leerstijlen compleet anders zijn. Ik haal er dus een uitleg bij.
Toepassingsgerichte leerstijl
“Als je een toepassingsgerichte leerstijl hebt wil je concreet iets doen met de informatie. Je wilt de informatie zelf ervaren.
Je hebt geen voorkeur voor sturing. Als je kans ziet om leervaardigheden toe te passen voor je werk zul je dit doen zonder veel sturing. Als je weinig toepassingen ziet, zul je meer sturing nodig hebben door anderen.
Je wilt je kennis en verworven inzichten gebruiken in je werk. Toepassen in je werk zodat je deze inzichten kunt ervaren.
Weten welke leerstijl je hebt, betekent ook dat je na kan gaan of deze leerstijl past bij wat je wilt bereiken, hoe je dit wilt bereiken en wanneer je beter een andere leerstijl in kunt zetten.”
Ongerichte leerstijl
“Als je een ongerichte leerstijl hebt gebruik je weinig bewust leervaardigheden. Je weet niet goed waar je moet beginnen en hoe je je leren vorm moet geven.
Je hebt moeite om zelf richting te geven aan je leren, maar vind het ook lastig de richting die anderen geven te volgen. De richting die anderen bepalen staat centraal voor jou om te leren.
Je weet niet zo goed waarom je deze beroepsopleiding volgt.
Weten welke leerstijl je hebt, betekent ook dat je na kan gaan of deze leerstijl past bij wat je wilt bereiken, hoe je dit wilt bereiken en wanneer je beter een andere leerstijl in kunt zetten.”
Reflectie
Na deze uitleg kan ik mij toch beter vinden ‘Toepassingsgerichte leerstijl’, omdat ik de informatie die ik bij het leren lees ook echt zelf wil ervaren. Ik hou er ook niet zo van als mensen zich teveel met mijn leren bemoeien, dus het klopt dat ik niet van veel sturing houd. Bij ‘Ongerichte leerstijl’ staat dat ik niet goed weet met leren waar ik moet beginnen. Ik ben het daar niet mee eens. Ik leer vaak heel bewust een stukje door waar ik nog moeite mee heb. Het is wel zo dat als ik in tijdnood zit en nog heel veel moet leren dat ik dan door de bomen het bos niet meer zie. Er staat bij ‘Ongerichte leerstijl’ ook dat ik niet goed weet waarom ik deze beroepsopleiding volg. Hier ben ik het absoluut niet mee eens. Het is een bewuste keuze en ik ben erg blij dat ik deze keuze gemaakt heb. Leraar geschiedenis worden lijkt mij juist geweldig!







Identiteitstest

De score op de 4 identiteiten:

Uw score op persoonlijke identiteit is 33
Dit is een lage score

Uw score op sociale identiteit is 27
Dit is een gemiddelde score

Uw score op collectieve identiteit is 14
Dit is een lage score

Uw score op relationele identiteit is 32
Dit is een lage score


Wat betekent uw score?


Als het goed is, hebt u in alle categorieën een of meer vragen positief beantwoord. Volgens Jonathan Cheek, maker van de test, is een uitgebalanceerde combinatie van deze vier identiteiten ideaal omdat daarmee de meeste aspecten van iemands persoonlijkheid aan bod komen.

Maar in de praktijk scoren de meeste mensen hoog op een of twee identiteiten, waarbij je volgens Cheek niet kunt zeggen dat de ene beter is dan de andere: 'De persoonlijkheidsleer bestaat bij de gratie van verschillen.'
Kijk naar de identiteit waarop u het hoogst scoorde en vraag uzelf af of het de rol is waarin u zich het gelukkigst voelt of het meest tot uw recht komt. Misschien hebt u zich ongemerkt veel laten leiden door andere rollen in relaties, carrière, familie of vriendschappen? Dan kan het tijd zijn om daarin verandering te brengen

Toelichting op de identiteiten
Persoonlijke identiteit
Uw identiteit wordt voornamelijk bepaald door interne aspecten. U bent wat u denkt. Dat wat u van binnen bent, uw gevoelens en gedachten, dat is wie u echt bent. U bent reflectief en uw persoonlijke waarden bepalen grotendeels hoe u zichzelf ziet: 'Ik ben een levensgenieter' of 'Ik ben sociaal bewust'.

Omdat u zich vaak laat leiden door uw interne gevoel voor rechtvaardigheid, en niet door wat anderen vinden, wordt u soms geplaagd door schuldgevoelens als u niet kunt voldoen aan uw eigen morele standaard. Aan de andere kant wordt uw gedrag ook geleid door uw sterke rechtvaardigheidsgevoel en laat u zich niet snel door anderen van de wijs brengen.
Sociale identiteit
Uw rol in de maatschappij is belangrijk voor uw gevoel van identiteit. U bent sociaal vaardig, steekt veel tijd in vriendschappen en werkt graag met anderen samen. Uw identiteit wordt grotendeels bepaald door uw sociale rol. 'Ik ben populair' of 'Ik kan goed met mensen omgaan'. U bent altruïstisch en stopt veel tijd in het onderhouden van uw sociale netwerk. De keerzijde is dat u de mening over uzelf kan laten afhangen van uw omgeving en bang kunt zijn om publiekelijk te falen.

Collectieve identiteit
U ontleent uw identiteit voor een groot deel aan de groep waartoe u behoort en waarmee u een gedeeld verleden hebt. 'Ik ben een Fries, een vrouw, homo, joods.' Uw familie, religie, nationaliteit of groep waartoe u behoort is belangrijk voor uw gevoel voor wie u bent. 'Zo ik iets ben, ben ik een Hagenaar,' schreef Couperus.

In onze westerse maatschappij wordt die collectieve identiteit niet altijd even hoog gewaardeerd, in tegenstelling tot landen waar iemand trots is omdat hij aan de ene kant van de berg woont. Als u hoog scoort op collectieve identiteit, is het wederzijds respect in de groep belangrijk voor u. Het geeft niet alleen een gevoel van identiteit, maar ook van zekerheid. Bedenk wel dat de groep u ook kan beperken.
Relationele identiteit
U hecht veel waarde aan intieme relaties. Liever een of twee goede vrienden dan een zaal vol. Uw relatie met uw partner, beste vrienden, ouders of kinderen komt vaak op de eerste plaats. U hebt het gevoel dat u die ander ook echt goed kent. U werkt er hard aan om de band met een paar heel dierbare mensen goed te houden. Zolang beiden zich daar goed bij voelen, is het prima. Maar let erop dat de liefde ook echt van twee kanten komt.

Reflectie op de identiteitstest
Het valt mij op dat ik steeds een lage score heb op de vier identiteiten. Ik heb bij de sociale identiteit een score van ‘gemiddeld’. Hier ben ik het wel mee eens, omdat ik het wel aardig belangrijk vindt hoe anderen mij zien. Ik vind vriendschappen ook erg belangrijk en die wil ook graag bewaren. Ik kan dus wel zeggen dat ik, vooral in het weekend, veel tijd besteedt aan mijn vrienden. Vroeger, op de onderbouw, vond ik het erg belangrijk dat ik populair was op school en dan ik veel aandacht kreeg. Ik kreeg dat toen ook wel aardig. Eenmaal op de bovenbouw werd die rol een stuk minder belangrijk voor me en hield ik me wat op de achtergrond. Op dit moment vind ik populair zijn ook niet echt belangrijk meer. Ik vind het belangrijker dat ik goed met verschillende typen mensen om kan gaan. Wie populair is heeft veel vijanden heb ik in het verleden wel gemerkt. Ik wil geen vijanden maken, maar vrienden!
Dat de andere scores zo laag zijn begrijp ik enerzijds wel. Ik vergeet soms mijn persoonlijke identiteit, doordat ik veel met andere dingen bezig ben en niet met mezelf. Met mijn collectieve identiteit heb ik weinig mee. Ik ben niet gelovig en vind het niet belangrijk of ik nu man of vrouw ben. Natuurlijk vind ik bij WK voetbal en de Wereldruiterspelen het belangrijk dat ik Nederlandse ben, maar voor de rest heb ik niet echt iets van dat ik mijn nationaliteit heel erg belangrijk vindt. We zijn toch allemaal mensen, waar je ook vandaan komt? Ik had wel verwacht dat ik een hogere score zou hebben op relationele identiteit. Ik hecht namelijk veel waarde aan mijn twee oude vriendinnen, waar ik bij op de basisschool gezeten heb. Ik ken deze vriendinnen ook door en door en zij mij. Dit is de reden dat ik wel had verwacht dat ik hoog op deze identiteit zou scoren.









Nulmeting

Sterke punten

· Het Havodiploma heeft ervoor gezorgd dat ik eindelijk het gevoel had dat ik echt iets heb bereikt. Het gaf mij een fijn gevoel en trots dat ik er vijf jaar naar toe gewerkt heb en toch heb gehaald. Ik kan het gevoel niet omschrijven, maar het is wel een keerpunt geweest in mijn leven.
· We zijn 2e geworden met onze PWS op het Bogerman Sneek. Dit gaf mij ook een goed gevoel. We hadden er ook zo hard aan gewerkt en soms moesten we zelfs in de nacht doorwerken om het op tijd af te krijgen. Dit liet zien dat al het harde werk niet voor niets geweest is en dat het werd beloond met een PWS-certificaat waarop stond dat ons werkstuk “excellent” was. Het gaf mij meer vertrouwen in mezelf dat ik toch in staat was zo goed te presteren.
· Als klein meisje deed ik altijd mee aan de miniplaybackshow. Mijn eerste keer was toen ik vijf jaar was. Ik was de jongste deelnemer. Hoe graag ik ook mee wilde doen toch durfde ik niet voor al die mensen het podium op. Mijn tante gaf me een duwtje naar het podium en daar stond ik voor al die mensen. Toen ging het allemaal vanzelf en overwon ik mijn podiumangst. Ik werd die dag ook nog eens eerste!
· Mijn hele leven heb ik paarden om mij heen gehad. Dit heeft gezorgd dat ik verantwoordelijk werd. Ik had namelijk de verantwoordelijkheid over de paarden, want ze moesten natuurlijk verzorgd worden. Ook zorgden de paarden ervoor dat ik stressbestendig werd, omdat het paardrijden mijn fouten en angsten weerspiegel, zodat ik ermee leer om te gaan. Paardrijden heeft mij ook gemotiveerder en resultaatgericht gemaakt.


Zwakke punten

· In de 2e klas heb ik er een potje van gemaakt op school. Hoe ik er van de eerste klas afkwam met allemaal negens, kwam ik er in de 2e klas af met allemaal onvoldoendes. Ik moest naar het VMBO.. Het VMBO was niet wat ik wilde, dus ik wilde een herkansing en heel erg mijn best doen. Mijn mentor heeft veel vergaderd over mij en ruzie gekregen met bepaalde leraren die mij niet over wilde laten gaan. Uiteindelijk is het mijn mentor gelukt mij over te laten gaan. Ik had erg veel spijt dat ik het zover had laten komen dat ik bijna naar VMBO ging. Ik ben toen onterecht op het Havo gebleven. Nog steeds ben ik mijn oude mentor dankbaar voor wat hij voor mij gedaan heeft en ik wilde hem ook niet laten vallen door alsnog van de Havo af te gaan.
· In de vierde klas moesten we eens een belangrijk verslag in leveren. We moesten individueel een bezoek brengen aan een museum. Ik had het, naar mijn idee, veel te druk daarvoor dus ik stelde het steeds uit. Totdat ik ineens hoorde dat ik het de volgende dat in moest leveren en dat je anders een 1 kreeg. Toen heb ik tot in de nacht doorgewerkt en een verslagje in elkaar gezet en die dag ingeleverd. Ik voelde me zo schuldig, omdat ik nooit naar een museum geweest was, maar er wel een verslag van gemaakt had. Na een paar weken hoorde we de uitslag van het verslag. Ik was bang. Ik dacht dat de leraar wel door zou hebben dat ik er nooit geweest was. Toen kreeg ik mijn verslag op tafel en je raad het nooit: een 9! Ik had de hoogste cijfer van de klas! Je denkt dat ik mij daardoor beter voelde, maar integendeel ik voelde me alleen maar ellendiger erdoor.

Gekozen opleiding
Ik heb deze opleiding gekozen omdat ik erg geïnteresseerd ben in geschiedenis. In de 1e en 2e klas haalde ik alleen maar tienen op dit vak, terwijl mijn klasgenoten met moeite een zesje haalden. Dit deed mij nog niet besluiten om iets met geschiedenis te gaan doen. Ik wilde de journalistiek in, maar helaas was Zwolle voor mij te ver weg. Lesgeven vond ik altijd al leuk. Het leek mij als ik docent zou zijn een uitdaging om de leerlingen bij de les te houden en op een creatieve manier ze iets te leren. In de 4e klas wist ik zeker dat ik docent wilde worden, maar van welk vak? Ik heb toen heel lang getwijfeld met Frans, Engels, Nederland en geschiedenis. In de 5e klas kreeg ik een hele inspirerende geschiedenis docente. Door haar werd geschiedenis nog boeiender! Ik keek er naar uit om naar de geschiedenis les te gaan en zij werd voor mij een voorbeeld. Hieruit deed ik het besluit om mij op geschiedenis te gaan richten.
In de zomervakantie schreef ik mij dus in voor de lerarenopleiding geschiedenis!

Verwachting school
Mijn verwachting van school is dat ik veel tijd aan zelfstudie zal gaan moeten besteden. Ik zal veel geschiedenislessen krijgen, maar ook veel lessen in het leren om een goede docent te zijn, dat is natuurlijk ook heel belangrijk. Je moet bij de opleiding leren hoe je in bepaalde omstandigheden in de klas moet reageren en je moet zeker zijn van jezelf, stevig in je schoenen staan. Ik denk dat wij ook goed moeten leren “samenwerken” als collega’s, niet als vrienden. Dit is natuurlijk heel belangrijk voor het latere zakelijke samenwerken met je collega’s.

Ik denk dat wij veel studietijd zullen krijgen, en die ook wel nodig hebben. Vooral bij een vak als geschiedenis vergt dit heel veel tijd aan het studeren. Het stof moet in je hoofd worden gepompt! Dit kun je niet leren van een paar lesjes in de week, maar zul je vooral thuis mee bezig moeten gaan.

De begeleiding van docenten of studieloopbaanbegeleiders zal ongetwijfeld goed zijn. Bij de introductie werd al verteld dat je ze altijd kon mailen of gewoon naar ze toe gaan met je vragen. Ook zal bij de opleiding het verschil van leraar-leerling kleiner worden. We worden tenslotte misschien wel toekomstige collega’s.

Vakken
De vakken Oudheid en Communicatie liggen mij wel goed. Communicatie vind ik een belangrijk vak, omdat je altijd te maken krijgt met het communiceren in de klas. Het kan je ook meer zelfvertrouwen geven. Oudheid vind ik een erg interessant vak. Het is wel heel veel tekst, waarvan je alles wel moet onthouden, maar ik vind het ondanks dat het veel is erg leuk om we over te leren.

Project en P-taak liggen mij minder. Ik vind dat het P-taak erg belangrijk is om jezelf een goede kijk te geven of je wel de juiste keuze hebt gemaakt, maar in 5havo kregen we ook zoveel opdrachten hierover. Eerlijk gezegd vind ik het wel een belangrijk vak, maar er moet minder nadruk op gelegd worden. Ik vind dat ik mij meer bezig moet houden om een goede docent te zijn en geschiedenis te leren dan dat ik me steeds bezig hou of ik hier wel goed aan heb gedaan. Uiteindelijk kom ik er zelf wel achter of dit de juiste keuze is of niet.
Project vind ik goed om te leren hoe je moet vergaderen en samenwerken. Alleen ik vind het nadeel dat je rekening met iedereen moet houden. We moeten met z’n allen eruit komen en ik ben meer iemand die het liever alleen doet, zodat ik niet iemand hoef te teleurstellen en niet iemand achter de broek aan hoef te zitten.

Leerdoelen
Mijn leerdoel is om goed om te leren hoe je voor de klas moet gaan staan en hoe je een les-uur gaat organiseren. Hierbij moet ik ook leren met wat voor problemen ik in de klas tegenaan kan lopen en hoe deze opgelost moeten worden. Mijn actiepunt hierbij is om eerst goed te leren communiceren en zeker van mezelf worden. Eerst zal ik verschillende docente gaan oriënteren en daarbij letten op hoe zij problemen oplossen. Ik zal gaan proberen te kijken vanuit de bril van een docent.


Hoe zien anderen mij?

Tabel
Waar moet ik mee doorgaan?
Waar moet ik onmiddellijk mee stoppen?
Wat moet ik direct veranderen?
Vriendin: paardrijden, school, uitgaan

Neef: vrolijk zijn, passie voor je paarden houden

Medestudent: Vragen stellen als je iets niet snapt en om duidelijkheid vragen.
Vriendin: afspraken op laatste moment afbellen

Neef: Met jongens flirten ( je hebt een vriend)

Medestudent: Je onzeker voelen over wat je doet ( dat doe je namelijk snel in groepsverband)
Vriendin: Je moet een baan zoeken

Neef: teveel drinken op feesten, dan ga je rare dingen doen!

Medestudent: Meer baas gaan spelen in een groep.

Reflectie op antwoorden vriendin
Erg opvallend vind ik dat mijn vriendin antwoordt dat ik direct moet stoppen met afspraken op het laatste moment afbellen. Ik had hier zelf eigenlijk nooit zo bij nagedacht en ga er nu zeker rekening mee houden.
De antwoorden van mijn vriendin had ik niet verwacht. Bij de vraag ‘Wat moet ik direct veranderen’ , waarop zij antwoordt dat ik een baan moet vinden, had ik eigenlijk wel een beetje verwacht. Ik zie mijn vriendin namelijk niet veel meer, omdat zij vaak naar dure feesten gaat en dat kan ik niet meer betalen. De anderen antwoorden die zij geeft had ik niet verwacht. Mijn vriendin houdt absoluut niet van paarden, dus had niet verwacht dat ze dat zou gaan noemen. Ik vind het vooral goed dat mijn vriendin eerlijk zegt dat ze vindt dat ik moet stoppen met op het laatste moment afbellen.
Ik wist niet dat mijn vriendin de kwaliteiten paardrijden, school en uitgaan waardeerde. Zoals ik al zij houdt ze niet van paarden. Ze is zelf niet echt van het leren en ik zie haar ook niet vaak meer met uitgaan. Het valt mij wel mee dat mijn vriendin de kwaliteit ‘afspraken op het laatste moment afbellen’ heeft gewaardeerd. Het ging wat om mij heen dat ik haar zo behandelde en ik vind dat zij daar dus goed mee om is gegaan. Ik wil dit zeker veranderen en meer rekening met haar gaan houden. Ik wist wel dat ze zich ergerde over dat ik niet meer zoveel geld heb en ze pushte mij aardig om een baan te gaan zoeken. Dit ga ik ook veranderen, want ik ben wel weer toe aan een bijbaantje.
De adviezen van mijn vriendin waardeer ik enorm. Ik zal een baantje zoeken en een langer nadenken voordat ik een afspraak afzeg.

Reflectie op antwoorden neef
Mijn neef en ik hebben een aardig goede relatie. Ik zie hem vaak op stap. Ik vind het interessant dat mijn neef antwoordt dat ik niet teveel moet drinken. Ik vind het wel grappig dat hij dan zegt dat ik met veel drank op rare dingen ga doen.
De antwoorden van mijn neef had ik enerzijds verwacht en anderzijds ook niet. Mijn neef vindt dat ik soms teveel met zijn vrienden omga, dat noemt hij flirten. Hij vindt dat niet kunnen, omdat ik een vriend heb. Ik had ook wel verwacht dat mijn neef zou antwoorden dat ik door moet blijven gaan met de passie die ik voor paarden heb en het antwoordt ‘vrolijk zijn’ had ik ook wel verwacht (ik ben soms wat een giecheltje). Ik had niet verwacht dat mijn neef zou zeggen dat ik rare dingen doe als ik een drankje teveel op heb. We zitten vaak op stap wat te klieren en te dansen, dus ik vind dat hij zelf net zo hard mee doet! En zoveel drink ik ook weer niet.
De kwaliteiten die mijn neef van mij waardeert wist ik wel. Hij vindt het leuk dat ik altijd zo vrolijk doe en gezellig wil zijn in de vriendengroep. Ook waardeert hij mijn passie voor paarden, omdat er veel in de familie zo zijn begaan met paarden. Ik wist niet dat mijn neef zich zo ergerde aan dat ik ‘flirt’ met jongens en dat hij vindt dat ik vaak een drankje teveel op heb. Ik zal er wel wat om gaan denken op de manier hoe ik met andere jongens omga. Ik ben het niet mee eens dat ik vaak teveel drink op feesten, dus ik weet niet of ik dat echt ga veranderen. Ik ga gewoon graag even los op een feestje. Toch wil ik niet voor gek staan, dus ik zal hier wel om gaan denken.
Ik ga zeker iets doen met de adviezen van mijn neef. Zoals ik al eerder zei zal ik er om gaan denken over de manier hoe ik met jongens omga. En misschien moet ik maar eens op stap wat rustigere aan doen..
Reflectie op antwoorden medestudent
De antwoorden die mijn medestudent heeft vind ik erg leerzaam. Het is opvallend dat ze antwoordt dat ik door moet gaan met vragen stellen. Ik had niet verwacht dat het iemand zo opviel dat ik veel vragen kan stellen.
Alle antwoorden die mijn medestudent geeft, had ik wel een beetje kunnen verwachten. Ik had wel verwacht dat ze zou zeggen dat ik soms wat onzeker ben bij wat ik doe. Ik ben heel bang om anderen in mijn groep teleur te stellen en dat ik degene ben die het allemaal fout doet, dat maakt mij wat onzeker. Dit is ook de reden dat ik zoveel vragen stel. Om zeker van mezelf te zijn heb ik duidelijkheid nodig over wat er gaat gebeuren. Alles wil ik in detail weten en het liefst op papier hebben. Dat mijn medestudent zegt dat ik meer de baas moet spelen, had ik ook wel verwacht. Ik was tijdens mijn eerste voorzitterschap van de vergadering niet echt de baas van de groep. Ik was nog nooit voorzitter geweest en vond het heel erg spannend, waardoor ik wat vergat dat ik de baas moest blijven.
Ik wist niet dat mijn medestudent mijn kwaliteit van vragen stellen zou waarderen, meestal vinden anderen dat juist irritant aan mij. Ik wist wel dat mijn medestudent bewust was van mijn onzekerheid in groepsverband en dat zij zich daar misschien aan ergerde. Ook het feit dat ik meer de baas moest spelen, kon ik wel weten. Ik ga zeker iets aan mijn onzekerheid doen en zal meer de baas moeten leren spelen in een groep. Ik vind dat bij leeftijdsgenoten soms erg moeilijk.
De adviezen van mijn medestudent zet mij wel aan het denken. Ik zal proberen de ‘negatieve’ punten te veranderen, omdat ik in de toekomst wel moet leren een klas onder controle houden. Ik moet in een klas zeker van mezelf zijn en de baas moeten kunnen spelen.















Drie fasen in je leven
Tabel 1.1 Drie fasen in je leven
Fase
Belangrijke gebeurtenissen
Per gebeurtenis:
Welke positieve invloed heeft deze gebeurtenis gehad?
Per gebeurtenis:
Welke negatieve invloed heeft deze gebeurtenis gehad?
0 – 8 jaar
Scheiding ouders


Snel volwassen, meer bij dingen nadenken.
Schuld gevoel, opgroeien zonder vader.
8 -12 jaar
Overlijden van mijn vriendin Tiny



Besef dat het leven niet eeuwig is en dat je er iets van moet maken. Besef hoe ingrijpend de ziekte kanker is.
Verdriet en angst.
12 - 18 jaar
Paarden


Verantwoordelijkheidsgevoel, stressbestendig, resultaatgericht, omgaan met kritiek
Minder tijd voor vrienden

Scheiding ouders
Deze gebeurtenis is belangrijk voor mij, omdat ik vind dat ieder kind hoort op te groeien met een vader en een moeder. Ik leerde dus op te groeien zonder vader. Op mijn verdere leven heeft het veel invloed gehad. Ik leerde niet teveel vragen te stellen. Dat komt ook mede doordat mijn vader in de gevangenis gezeten heeft, waardoor het contact met mijn vader verdween. Ik ben er ook verstandiger van geworden en sta langer bij dingen stil. Als ik met een groepje vriendinnen op stap ga ben ik eigenlijk degene die het meest verantwoordelijks is. Ook heb ik geleerd wat de invloed van drank en drugs bij mensen kan zijn, omdat mijn vader vaak dronken was als hij op me paste en hij gebruikte ook wel het een en ander.
Deze gebeurtenis zegt veel over mijn karakter. Ik ben er verstandig en nadenkend van geworden. Als ik bij vriendinnen ben kan ik altijd goed gesprekje met de moeder houden, maar bij de vader ben ik meer terughoudend. Ook ben ik zelf meer in het leven terughoudend en stiller geworden. Ik wacht eerst de dingen rustig af en kijk hoe het afloopt. Door het verleden ben ik er ook zeker van dat ik geen contact meer met mijn vader wil. Het heeft mij veel pijn gedaan. Ik had liever een vader gehad waar ik trots op kon zijn. Toch heb ik ook profijt van mijn karakter. Veel mensen durven bij mij aan te kloppen als zij in de problemen zitten. Ik denk dat ze zich vertrouwd bij mij voelen. Ik ben erg trots op mijn moeder en wil later net zo’n moeder als haar worden. Ik zal later denk ik ook tien keer nadenken voordat ik een kind neem, want ik vind het belangrijk dat mijn kind opgroeit met een vader en een moeder.

Overlijden van mijn vriendin Tiny
Deze gebeurtenis is belangrijk voor mij, omdat ik nog steeds heel veel aan Tiny denk en dat ik het vreselijk vindt dat het zo moest lopen. Tiny had heel mooi lang blond haar. Door de chemo-kuren verloor ze haar haar. Ze vond dat zelf heel erg en volgens mij is dat de reden dat ik mijn haar laat groeien. Als iemand zegt: ‘wat heb je lang haar’, denk ik altijd even aan Tiny. De dood van Tiny heeft veel invloed op mij gehad. Dankzij haar wilde ik op paardrijles en dat is nu nog steeds mijn grootste passie. Ik wil haar hiervoor bedanken. Eigenlijk heeft zij mij deels gemaakt tot wie ik nu ben. Van deze gebeurtenis heb ik geleerd dat het leven niet altijd over rozen gaat. Ik heb geleerd dat het leven zo in een klap voorbij kan gaan. Ook heb ik geleerd wat vriendschap is en hoe het is om je vriend(in) dan te moeten missen.
Deze gebeurtenis heeft deels mijn karakter gevormd. Tiny heeft kort geleefd, maar bleef al die tijd een vrolijk meisje. Ze heeft alles wat ze kon uit het leven gehaald en dat wil ik ook doen. ik wil genieten leven zolang het nog kan, voor je het weet is het voorbij. Ik zal mij ook zeker gaan inzetten voor de strijd tegen kinderkanker (KiKa).

Paarden
De paarden hebben mij veel geleerd en zij zijn erg belangrijk voor mij, omdat ik, als het erop aankomt, altijd op hun kan rekenen. De paarden hebben mij geleerd verantwoordelijk te zijn. Ze moeten natuurlijk eten, drinken, getraind worden en hebben verder een goede verzorging nodig. Ook heb ik geleerd stressbestendig te zijn. Bij het aanrijden van jonge paarden heb je heel veel, maar dan ook heel veel geduld nodig. Dit heeft ervoor gezorgd dat ik minder snel bij dingen, zoals toetsen, in de stress schiet. Ik ben er ook resultaatgericht van geworden. Ik wil dat het steeds beter gaat en vooruitgang boeken. Dat is niet alleen bij paarden zo, maar ook met bijvoorbeeld school. Het omgaan met kritiek is ook iets wat ik heb geleerd door te werken met paarden. Ik word continu door mensen gecorrigeerd. Met les staat mijn instructeur schreeuwend en scheldend commentaar te geven. Ik weet dat hij het goed bedoelt en mij wil helpen, dus ik accepteer het.
De paarden zeggen veel over mijn karakter. Zij horen nu eenmaal bij mijn karakter. Ik word vrolijk als ik ze zie. Als ik een week geen paard getraind heb, mis ik ook echt iets in me leven. Ik kan dus niet zonder. Met deze inzichten ben ik er zeker van dat ik paarden wil blijven werken. Wie weet wat de toekomst brengt..
Kernkwaliteiten

Kwaliteit
Valkuil
Uitdaging
Allergie
Zelfstandigheid
Onverschillig
Behulpzaamheid
Samenwerken
Nadenkend
Dromerig
Spontaniteit
Wispelturigheid
Doorzettingsvermogen
Teleurstelling
Terughoudend
Lamlendigheid

Zelfstandigheid
Mijn kwaliteit zelfstandigheid kwam het beste naar voren toen ik in klas vijf een verslag over Vietnam moest maken. Ik deed dit helemaal zelf tot in de kleinste detail en haalde toen nog eens het hoogste cijfer van de klas. Ook het africhten van de jonge paarden doe ik liever alleen. Ik kan mij dan beter concentreren, waardoor ik fouten sneller kan voorkomen.
In de vierde klas werd er een beroep gedaan op mijn uitdaging ‘behulpzaamheid’. Ik vertrouw niet snel op mijzelf met werkstukken maken, dus doe het dan ook liever zelf. In de vierde klas had ik mijn verslag van filosofie al ruim voor de deadline af. Mijn klasgenoot was nog niet eens op de helft en ze vroeg me steeds hoe ze het aan moest pakken. Ik vond het moeilijk om het uit te leggen, omdat ik niet zeker wist of ik het wel goed gedaan had. Ik wil haar natuurlijk geen slecht cijfer bezorgen. Uiteindelijk heb ik haar toch wel geholpen met haar werkstuk. We hebben het als het ware samen gemaakt en ze had gelukkig ook nog een goed cijfer erop.
In de vierde en vijfde klas moest ik met een vriendin van mij een profielwerkstuk maken. Ik merkte toen dat ik het lastig vond om samen te werken en rekening moet houden met de ander. Ook vond ik het moeilijk om te zeggen dat ik het niet helemaal eens was met het werk dat zij gedaan had. Ik nam zelf eigenlijk alle touwtjes in handen. Totdat bleek dat een deel van mijn verhaal erin niet klopte. Ik snapte zelf ook niet goed hoe het werkte, maar ik vroeg niks. Onze docent zag wel dat er iets niet klopte en vroeg ernaar. Mijn vriendin keek me aan en vroeg wat ik dan gedaan had. Ik liet het zien en gaf toe dat ik het niet begreep. Zij begreep het integendeel wel, ze legde het me uit en we hebben toen uiteindelijk samen het profielwerkstuk afgemaakt. Doordat ik niet in staat was samen te werken en iets te vragen, maakte ik een grote fout die ons toen veel tijd kostte om het te verbeteren.
Ik ben trots op mijn kwaliteit zelfstandigheid, maar wil dit toch een beetje veranderen. Dit komt vooral omdat ik nu op een opleiding zit waarbij samenwerken erg belangrijk is. Ik ga dit veranderen door vaker te gaan voorstellen om samen te werken, zodat ik dat dan kan leren.

Nadenkend
Mijn kwaliteit nadenkendheid komt het beste naar voren bij het trainen van mijn paarden. Ik moet daarbij erg goed nadenken wat ik doe en als er iets fout gaat moet ik weer nadenken waarom het dan fout gaat. Ik heb erg veel profijt van mijn nadenkendheid bij het paardrijden.
Bij mijn eerste baantje werd er een groot beroep gedaan op mijn uitdaging ‘spontaniteit’. Ik werkte in een croissanterie en moest leren om een leuk spontaan praatje met de klanten te maken. Het begon wel met ‘wat is het mooi weer niet?’, maar uiteindelijk leerde ik steeds langere gesprekken met mensen aan te gaan.
Mijn allergie laat ik vooral zien als ik in situaties terecht kom wat ik niet had verwacht. Bijvoorbeeld als iemand mij onverwachts aanspreekt en dan iets heel aparts zegt, dan kan ik best wel warrig en wispelturig worden. Of als iemand ineens heel onverwachts en vreemd reageert op iets. Ik weet verder even geen ander voorbeeld hiervan.
Ik moet met mijn kwaliteit nadenkend hij erop letten dat ik niet teveel nadenk en daarbij vergeet te ‘praten’. Ik wil dit dus veranderen, omdat het anders soms net lijkt alsof ik traag van begrip ben. Ik ga dit veranderen door vaker mensen aan te spreken en goed proberen deel te nemen aan een gesprek.

Doorzettingsvermogen
Deze kwaliteit komt het beste naar voren als ik les heb met mijn paarden. Ik wil dan zo graag mijn best doen. Ook op wedstrijd ben ik bloedfanatiek. Ik hoor dan niks meer om me heen, omdat ik dan zo geconcentreerd ben. Deze kwaliteit uit zich vaak in complimentjes hoe goed ik mijn paarden aan de praat heb of in hoge punten en prijzen op wedstrijden.
Ik had eens mijn paard er zo goed bij. Mijn instructeur was heel tevreden en was er zeker van dat ik iedereen zou verslaan. Ik wilde dan ook niemand teleurstellen, dus deed goed mijn best. Eenmaal op de Fries kampioenschappen lukte het niet meer. Het lukte me niet om mijn paard en mezelf aan de praat te krijgen. Ik kreeg gelukkig nog aardige punten, maar kampioen zat er niet meer in. Waarschijnlijk hield ik mij door de spanning teveel in.
Door mijn doorzettingsvermogen kan ik niet zo goed tegen lamlendigheid van anderen. Ik kan zelf ook wel zo zijn. Zo had ik het eens helemaal gehad met school en ging ik niks meer doen. ik leerde niet meer, huiswerk niet af en zelfs vaak mijn boeken niet mee. Ik kwam toen op een punt dat ik eigenlijk van de havo af moest. Ik ben toen erg geschrokken. Ik vroeg om een tweede kans en gelukkig kreeg ik die.
In dit opzichte wil ik mezelf veranderen door niet teveel resultaatgericht te denken, maar ook plezier hebben in wat ik doe. Ik vergeet soms wel eens plezier te hebben, terwijl dat eigenlijk alles is waar het omgaat. Ik denk dat ik het ga veranderen door iets vaker bij de dingen stilsta en nadenk waarom ik iets doe: om mijn plezier of om mijn arrogantie?

Het onderwijs

“Alle intelligente mensen in mijn familie zijn in het onderwijs gegaan, de anderen zijn rijk geworden.”








Overzicht Nederlands onderwijssysteem
SCHEMA NEDERLANDS ONDERWIJSSYSTEEM


MBO

HBO

WO








.



VMBO

HAVO

VWO






ONDERBOUW


BASISSCHOOL









UITLEG
VMBO = voorbereidend middelbaar onderwijs
HAVO = hoger algemeen voortgezet onderwijs
VWO = voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
MBO = middelbaar beroepsonderwijs
HBO = hoger beroepsonderwijs
WO = wetenschappelijk onderwijs (Universiteit)

Het VMBO
· De leerwegen
Niet alle kinderen die naar het VMBO gaan zijn hetzelfde. De een leert makkelijker uit boeken, een ander werkt graag met zijn handen.
Het VMBO houdt rekening met die verschillen tussen kinderen en biedt vier leerwegen aan:
- de theoretische leerweg
- de gemengde leerweg
- de kaderberoepsgerichte leerweg
- de basisberoepsgerichte leerweg

· De sectoren
Halverwege het derde leerjaar dien je een keuze te maken uit vier sectoren waarin je
examen kan doen. Deze sectorkeuze heeft als doel een betere aansluiting met het middelbaar beroepsonderwijs te verkrijgen. Aan iedere sector zit een aantal vakken vast - het sectorgebonden deel - naast de vaste examenvakken in het gemeenschappelijk deel die alle leerlingen volgen en nog enkele vrij te kiezen vakken die het pakket compleet maken.

Sector

Gemeenschappelijk deel
Sectorgebonden deel
Vrije deel
Techniek
Nederlands, Engels, gymnastiek, maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming
wiskunde
natuur- / scheikunde 1
Twee of drie
algemene vakken
Zorg en welzijn
Nederlands, Engels,
gymnastiek, maatschappijleer, culturele en kunstzinnige
vorming
biologie
wiskunde of geschiedenis of aardrijkskunde
Twee of drie
algemene vakken
Economie
Nederlands, Engels, gymnastiek, maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming
economie
Frans of Duits of wiskunde
Twee of drie
algemene vakken
Groen
Nederlands, Engels, gymnastiek, maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming
wiskunde
natuur-/scheikunde 1
of biologie
Twee of drie
algemene vakken


HET MBO

· De niveaus
In het MBO zijn er mogelijkheden op verschillende niveaus, afhankelijk van de gevolgde leerweg. In het schema hieronder zie je de niveaus, de toelatingsvoorwaarden, de duur van de opleidingen en de doorstroommogelijkheden.

Opleidingsniveau
Toelatingsvoorwaarden
Duur van de
opleidingen
Doorstroommogelijkheden
1 assistentenopleiding
drempelloos, maar voor de beroepsbegeleidende leerweg:
16 jaar en ouder
0,5 – 1 jaar
basisberoepsopleiding
2 basisberoepsopleiding
VMBO-diploma
basisberoepsgerichte leerweg
2 – 3 jaar
vakopleiding
3 vakopleiding
VMBO-diploma met theoretische leerweg, gemengde leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg
2 – 4 jaar
middenkader- of specialistenopleiding
4 middenkaderopleiding
VMBO-diploma met theoretische leerweg, gemengde leerweg,
kaderberoepsgerichte leerweg
3 – 4 jaar
HBO
4 specialistenopleiding
diploma vakopleiding
1 – 2 jaar
soms HBO
Het hoger beroepsonderwijs leidt op voor niveau 5

Je ziet dat je als leerling van de theoretische (T) of gemengde leerweg (G) in principe naar de opleidingen op niveau 3 en 4 kunt. Wat houden deze opleidingen in?


vakopleidingen
Deze leiden je op tot zelfstandig beroepsbeoefenaar. Je vakbekwaamheid wordt verdiept en verbreed. Je mag de verschillende werkzaamheden volledig zelfstandig uitvoeren.
middenkaderopleidingen
Als middenkaderfunctionaris voer je de werkzaamheden volledig zelfstandig uit. Bovendien word je breed opgeleid, zodat je mogelijkheden krijgt voor een leidinggevende functie. Ook kun je op dit niveau een opleiding tot zelfstandig ondernemer volgen.
specialistenopleidingen
Je wordt opgeleid tot een zeer gespecialiseerde beroepsbeoefenaar.


· De organisatie
Bijna alle MBO-opleidingen worden verzorgd door een ROC: een Regionaal Opleidingen Centrum. Alle groene opleidingen zijn te vinden bij een AOC: een Agrarisch Opleidingen Centrum.
Niet elk ROC heeft alle sectoren in huis. Bovendien worden niet altijd alle opleidingen binnen een sector aangeboden. Dit geldt ook voor het AOC. Raadpleeg je decaan, het naslagwerk "Selectie", of de site van het betreffende ROC/AOC.

· De sectoren
In het MBO zijn er, net als in het VMBO, vier sectoren. Bij elke MBO-sector horen zogenaamde beroepensectoren.
TECHNIEK
ECONOMIE
metaal – techniek
horeca, huishoudelijke dienst en voeding
textiel, mode en lederwaren
handel en reclame
laboratorium en procestechniek
toerisme
grafisch
administratie
transport en logistiek

uniformberoepen

kunst en vormgeving

bouw



ZORG EN WELZIJN
GROEN
medisch
agrarisch
sociaal

uiterlijke verzorging

sport en lichamelijk opvoeding


De leerwegen
Er zijn in het MBO twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg (BOL) en de beroepsbegeleidende leerweg (BBL).
Wie kiest voor de BOL is het grootste deel van de opleiding op school, leert vooral vanuit de theorie en volgt af en toe stage (tussen de 20% en de 60%). Dat heet beroepspraktijkvorming. Als je meer praktisch bent ingesteld, kies je voor de BBL: je werkt het grootste deel van de tijd in de praktijk (meer dan 60%) en gaat minimaal 1 dag per week naar school voor de theorie






BOL

BBL
Je meldt je aan bij het ROC of AOC.
Je solliciteert bij een baas en je meldt je vervolgens aan bij het ROC of AOC.

Je gaat vijf dagen per week naar school.

Je gaat één dag per week naar school.
Je gaat 20% tot 60% van de studietijd op stage (beroepspraktijkvorming).

Je werkt vier dagen per week in een bedrijf of in een instelling (meer dan 60% van de tijd).
Je sluit met de school een onderwijsovereenkomst.

Je sluit met het bedrijf een overeenkomst, die de school ook ondertekent.
Je betaalt het volledige lesgeld.

Je betaalt niet veel lesgeld.
Als je 18 jaar of ouder bent krijg je studiefinanciering en een OV-jaarkaart.

Je krijgt meestal salaris. Je krijgt dan geen studiefinanciering en geen OV-jaarkaart.
De school helpt je meestal bij het vinden van een stageplaats.

Je moet meestal zelf een werkplek zoeken.






DE HAVO

Als je - om wat voor reden dan ook - (nog) niet wilt of kunt kiezen voor een beroepsopleiding is het mogelijk om door te stromen naar de vierde klas van de havo, indien je:
1. graag studeert
2. zelfstandig kunt en wilt werken
3. een hoger werktempo aan kan
4. meer leerstof in één keer kunt overzien
5. een flink doorzettingsvermogen hebt
6. ruim voldoende examenresultaten op vmbo-t hebt behaald
7. de juiste vakken in je pakket hebt.

· De profielen in de havo
Er zijn vier profielen in de Tweede Fase van de havo, die voor een deel overeenkomen met de sectoren in het MBO.

Profiel
Wat houdt het in?
Welke vakken?
Cultuur en Maatschappij
- werken met talen
- belangstelling voor werken met de
krant, radio, t.v. of film
- maatschappelijke taken
- artistiek bezig zijn
- interesse in mensen

talen
geschiedenis
aardrijkskunde
economie

Economie en Maatschappij
- werken op kantoor
- adviseren over zaken
- gevoel voor cijfers
- in zijn voor leidinggeven
- verkoper zijn in hart en nieren
economie
wiskunde
geschiedenis
aardrijkskunde
Natuur en Gezondheid
- medische interesse
- oog hebben voor het milieu
- mensen helpen of verzorgen
- van planten en dieren houden
- graag adviseren
biologie
wiskunde-B
natuurkunde
scheikunde
Natuur en Techniek
- gaan voor ontwerpen en bouwen
- niet weglopen voor berekeningen
- gevoel voor techniek
- advies geven
- oog hebben voor het milieu
wiskunde-B
natuurkunde
scheikunde

Opmerkingen
1. Voor de leerlingen die NG of NT kiezen, wordt er na het eindexamen in VMBO-4 een aansluitcursus wiskunde-B georganiseerd.
2. Natuurkunde staat op het VMBO bekend als natuur-/scheikunde 1; scheikunde als
natuur-/scheikunde 2.

Hbo
Hbo-opleidingen worden verzorgd door hogescholen. Zij leiden op tot hogerkaderfuncties binnen het bedrijfsleven en de overheid. In tegenstelling tot universiteiten zijn hbo-opleidingen primair gericht, naast de overdracht van vaktheoretische kennis, op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroepspraktijk.
Hogescholen kunnen zijn onderverdeeld in verschillende organisatorische eenheden, vaak faculteiten genoemd. Binnen een faculteit zijn verschillende opleidingen te volgen. De meeste opleidingen hebben vanaf het derde jaar een specialisatiemogelijkheid, waarbij studenten van dezelfde opleiding kunnen kiezen uit verschillende lesprogramma's. In het derde jaar is, in tegenstelling tot universiteiten, een stage of een leerarbeidsplaats verplicht. In het vierde jaar schrijft de student een scriptie of afstudeeropdracht en loopt die, afhankelijk van de opleiding, een stage of heeft die een leerarbeidsplaats. Bij een leerarbeidsplaats komt de student echt in dienst van het bedrijf.
Hbo-opleidingen duren meestal 4 jaar van ieder 60 ECTS-studiepunten. Daarvan omvat de voorbereidende fase 1 jaar en de hoofdfase 3 jaar.
Er zijn varianten die korter duren, maar dit is bijna alleen het geval bij opleidingen waar de student al een opleiding heeft afgerond in een soortgelijke beroepspraktijk of hij of zij een vwo-diploma heeft behaald. Na het behalen van het hbo-diploma mag men de volgende titels voeren:
  • Baccalaureus (bc.) : graad toegekend bij een afgeronde studie aan een hogeschool met een niet-technische of natuurwetenschappelijke achtergrond. In de praktijk gebruiken afgestudeerden zelden deze titel.
  • ingenieur (ing.) : graad toegekend bij een afgeronde studie aan een hogeschool met een technische of natuurwetenschappelijke achtergrond. Deze titel wordt in praktijk, ook na invoering van het Bachelor/Master-stelsel, wèl vaak gebruikt, en dan vooral in de wetenschappelijke wereld.
Om te studeren aan een hogeschool dient men in principe minimaal over een vooropleiding havo, vwo of MBO niveau 4 te beschikken. In sommige gevallen gelden er aanvullende eisen.
Ook is op sommige hogescholen de zogeheten 21+ regeling van kracht. Deze houdt in dat studenten ouder dan 21 jaar niet over de vooropleidingseisen hoeven te beschikken. Zij kunnen door middel van een toelatingsonderzoek toch toegelaten worden tot een hogeschool.
Door de invoering van de bachelor-masterstructuur is een hbo-opleiding een vierjarige bacheloropleiding geworden. Studenten die deze opleiding volgen, worden undergraduate students genoemd. Nadat ze zijn afgestudeerd kunnen ze de internationale titel Bachelor (B.) voeren. De vroegere hbo-titels baccalaureus of ingenieur mogen in Nederland echter ook nog worden gebruikt.
Iemand die een hbo-(bachelor)diploma heeft behaald kan in principe, na universitaire goedkeuring van een commissie of studieadviseur, een master-studie volgen aan een universiteit. Een aantal Nederlandse universiteiten vereist hierbij wel (bij bepaalde studies, zoals rechten) dat deze persoon eerst een 'universitaire Bachelor' (B.A./B.Sc.) behaalt om toegelaten te worden tot de desbetreffende master-fase. Dit omdat studenten met alleen een hbo-bachelor de academische basiskennis en achtergrond missen welke nodig is voor de universitaire masteropleiding. Hbo-bachelors kunnen, na toelating tot de universiteit, deze universitaire bachelorgraad alsnog behalen via een verkort programma (van meestal één jaar). Ook biedt een havo-diploma plus een hbo-propedeuse toegang tot het eerste jaar van een universiteit.




OVERIGE OPLEIDINGEN

· Er zijn ook andere verschillende opleidingsmogelijkheden bij de landmacht, de luchtmacht en de marine, de zogenaamde uniformberoepen. Een goede
lichamelijke conditie is een vereiste, soms zijn er aanvullende eisen ( bv. leeftijd).
· Voor sommige beroepen (bijvoorbeeld secretaresse, kapper, autoverkoper) bestaan er ook particuliere opleidingen. Deze zijn soms korter dan op het MBO, maar zijn meestal veel duurder.







De eerste lezing
Donderdag 2 September, gaf Popke van der Zee een lezing op het NHL. Popke van der Zee is intern opleider CVO (Christelijk voortgezet onderwijs).
Het thema van de lezing was: wat bezielt je om leraar te worden? Het was onze eerste dag op school en we waren allemaal nog wel wat moe van onze introductiekamp in Ameland. Popke van der Zee hield ons gelukkig goed wakker. Hij vertelde over de vijf rollen van de leraar: de gastheer, de presentator, de didacticus, de pedagoog en de afsluiter. Van der Zee vertelde dat heel veel leraren nog moeite hebben met deze vijf rollen, vooral met de laatste rol: de afsluiter. Veel leraren vergeten de les goed af te sluiten, waardoor de leerlingen en leraar in een rommelige situatie komen. Ik vond dit erg leerzaam dat hij dit verteld. Ik had zelf nog nooit van de vijf rollen gehoord, maar het klinkt allemaal heel logisch. Popke van der Zee vroeg ons ook of wij voorbeelden konden nemen van oude leraren die niet goed de zaken in de les voor elkaar hadden. Er kwamen veel reacties op die vraag. Daarna vroeg hij ons of wij voorbeelden konden nemen over oude leraren die juist heel goed de zaken voor elkaar hadden. Toen bleef het even stil.. Het is moeilijker om na te gaan welke leraar op de juiste manier orde kon houden en op wat voor manier de leraar het deed. We kwamen er toen achter dat we eigenlijk meer het negatieve van de leraar onthouden.
Popke van der Zee vroeg ons ook of de leraar je vriend is. Dit vond ik een erg interessante stelling en er kwam ook meteen een discussie aan te weeg. Veel vonden dat de leraar een vriend is, maar er waren ook genoeg die vonden van niet. Ik had er nooit echt over nagedacht, maar na deze discussie ben ik van mening dat je leraar je vriend is, maar dan wel met de nodige afstand. Je krijgt anders situaties dat de leerlingen het de leraar kwalijk gaat nemen als zij een slecht cijfer behalen.
Popke van der Zee liet ons tot slot een film zien. In de film zag je kinderen van Aziatische afkomst in de klas. Als de leraar binnenkwam werden ze helemaal vrolijk. Iedereen was dol op die leraar. In de klas was er een jongetje niet: zijn oma was net overleden. De dag erna toen hij er wel weer was liet hij het jongetje voor de klas over zijn oma en de dood vertellen. Alle kinderen vonden dit erg interessant. De leraar gaf daarna de opdracht dat alle kinderen hun eigen ervaring op papier moesten zetten. Eenmaal toen de kinderen bezig waren met die opdracht, kwam een meisje aan het licht die haar vader verloren had. Ze was helemaal verdrietig, want ze had er ook nog nooit over gepraat. Het zat altijd die van binnen achter slot en grendel. Nu kwam alle emotie eruit. De leraar omhelsde het meisje en troostte haar. Daaruit bleek dat de opdracht helemaal niet ging over de jongen die zijn oma verloren had, maar het ging om het meisje die nog nooit over de dood van haar vader gepraat had. Ik vond dit een erg leerzaam filmpje en ik denk dat velen een voorbeeld kunnen nemen aan deze leraar. Iedereen was gek op die leraar, maar ondanks dat kon hij ook orde houden op bepaalde momenten.
In de trein zat ik nog na te genieten van de lezing. Ik ging voor mezelf na wat voor mij de ideale leraar is en of ik dat ooit zou kunnen nastreven. Ik vond het een erg interessante lezing van Popke van der Zee. Wat kan die man vertellen zeg!
De tweede lezing
Op maandag 13 September hadden we onze tweede lezing. Het was een overvolle zaal, dus ik stond achterin naast een soort afzuigkap. Dit zorgde ervoor dat ik het niet zo goed kon verstaan. De lezing werd gegeven door Wil Franzen, hij werkt sinds 1996 bij Magister Alvinus in Sneek. Meneer Franzen is tweedegraads geschiedenis en aardrijkskunde docent, daarbij is hij ook nog docent mens en maatschappij geworden. Docent spelen is niet het enige wat hij doet, ook is meneer Franzen Teamleider van het vmbo basis kader van klas 1 t/m 4. Het onderwerp van deze lezing is dus het VMBO. Ik vond dat wel boeiend, omdat ik nooit op het VMBO gezeten heb en er ook niet veel vanaf weet.
Meneer Franzen vertelde dat de passie van een docent en het contact maken erg belangrijk is: we zijn de laatste jaren wat onverschillig geworden. Er zijn ook teveel tieners die het onderwijs verlaten: 50 000 per jaar. De reden hiervoor is, volgens meneer Franzen, dat de leerlingen sociaal emotioneel overbelast zijn en “we” houden niet genoeg van deze kinderen. Veel mensen vergeten het, maar VMBO’ers hebben wel talenten, ze moeten alleen gemotiveerd blijven en dat is de taak van de leraar. De leerling moet centraal, zelfstandig, actief en succesvol leren door te doen. Daarbij moet de school een veilige plek voor ze zijn, de school moet aandacht aan ze besteden en ze te stimuleren om iets met talent te doen.
Luc Stevens, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de universiteit in Nijmegen van 1968 tot 1975, pleitte over drie punten wat een kind graag wil:
· Ik ben iets
· Ik ben iemand
· Ik hoor erbij
De reden om leerlingen aan het werk te zetten en te boeien heeft te maken met de aard van het kind. Kinderen willen graag inspiratie opdoen, nieuwe dingen ontdekken, ze zijn nieuwsgierig, en zoeken een uitdaging. Als de docent kan zorgen dat hij de leerling inspiratie kan opdoen, zorgen dat de leerling iets wil ontdekken en zorgen dat de leerling nieuwsgierig blijft en dat de leerling een uitdaging wil, dan zal dat zorgen voor een goede samenwerkingsklimaat.
Ook vertelde meneer Franzen dat het belangrijk is dat kinderen sociaal met elkaar overweg kunnen. Hij had daarbij een rekensommetje: samen werken + samen leren = samen leven. Dit vond ik een mooie rekensom en zal ik gaan onthouden voor later.
Er waren ook vijf punten die voor de leerling van belang zijn voor een gewenst werk- leerklimaat:
· Rust à om veilig gevoel te creëren en je kennis te verwerken
· Ruimte à om dingen te doen en je te ontwikkelen
· Regelmaat à iets dat veel niet van huis uit meekrijgen
· Relatie à geen contact is geen relatie
Tot slot werd het verschil tussen BK en GT uitgelegd.
· Basis kader: veel praktijk, leerlingen willen iets met kennis “doen”.
· Gemengd theoretisch: meer theorie, veel lezen.
Ik ben veel opgestoken van deze lezing en vond dat meneer Franzen erg zijn best deed. De punten die ik in dit verslag heb staan leken mij ook belangrijk om te noemen. Ik vond soms wel dat meneer Franzen wat warrig overkwam en dan begreep ik het zelf even niet meer, maar dat werd vaak al snel weer opgelost en het is een erg leerzame lezing geworden.







Lezing 3
Vandaag, 4 oktober 2010, hadden we een lezing over het MBO, gegeven door Margriet v/d werf, werkzaam op het Friesland College. We moesten van haar eerst een lijstje maken van woorden wat wij al van het MBO afwisten. Ik wist er niet veel vanaf, omdat ik er nooit mee in aanmerking ben gekomen. De punten die op mijn lijstje stonden waren:
· Veel praktijk
· Veel reflecteren
· Geen toetsen, maar bewijzen
· Veel vrijheid
· Vier niveaus
· Doorstromen naar HBO
· Werken-leren
Toen iedereen klaar was met zijn of haar lijstje moesten we eens met een oud MBO student gaan praten. Wij hadden Anita (oud MBO’er) in ons groepje, dus zij kon ons mooi wat vertellen over het MBO. Eenmaal toen we daarmee klaar waren ging mevrouw v/d Werf ons nog het een en ander uitleggen over het MBO. Ze ging wat afkortingen die op het MBO voorkomen uitleggen:
MBO XL = oriëntatie, hierbij krijg je van alle opleidingen wat. De student kan dan bepalen wat bij hem of haar past en dan die opleiding kiezen. Bij het MBO XL ben je al ingeschreven op het MBO.
· BBL= Beroeps begeleidende leerweg; werken-leren
· BOL= Beroeps opleidende leerweg
Mevrouw v/d Werf vertelde dat niveau vier het hoogst haalbare niveau op het MBO was. Niveau vier is meer theorie en kun je doorstromen naar het HBO. Je krijgt bij niveau sneller te maken met leidinggevende beroepsvormen, zo kun je naar de hotelschool en kom je sneller in aanmerking voor het management. Je zult dan leidinggeven aan collega’s die waarschijnlijk op die lager niveaus geleerd hebben.
Ook vertelde mevrouw v/d Werf dat wij allemaal een startkwalificatie hebben. Niemand had echt een idee wat zij daarmee bedoelde. Toen legde ze uit dat iedereen die een havodiploma of MBO2 heeft afgerond een startkwalificatie heeft. Mevrouw v/d Werf legde ook uit wat CGO was. Een term dat we wel vaker zullen horen. CGO betekent competentie gericht onderwijs. Je wordt daarbij opgeleidt voor een beroep op MBO/HBO. Er wordt je dan de nodige vaardigheden, vakkennis, werkervaring, professionele werkhouding geleerd.
De Friesland College werkt al een tijd met praktijk gestuurd onderwijs. Dat vindt mevrouw v/d Werf een rijke leeromgeving voor het MBO. De leerlingen leren dan verantwoordelijkheden te hebben. Ze vinden vaak school erg leuk voor de gezelligheid en komen dan ook wel eens te laat. Dat kun je met een baantje niet doen, ze moeten dat leren op tijd te komen. Als leerlingen dan ook eenmaal doorkrijgen dat zij bepaalde kennis nodig hebben voor het beroep zullen zij zich beter gaan concentreren.
Wij, als aanstaande docenten, zullen ook les kunnen gaan geven op het MBO. Mevrouw v/d Werf vertelde toen met welke opleidingen/vakken we o.a. te maken zullen krijgen:
Maatschappijleer àburgerschap lessen
Economie àbedrijfseconomie, handel en administratie, hotelschool, boekhouding
Aardrijkskunde àtoerisme, onderwijsassistente
Geschiedenis àtoerisme, onderwijsassistente
Gezond en welzijn àverpleging, verzorging

Het MBO heeft afwisselende werkvormen. We moeten dan een breder repertoire hebben en goed kunnen coachen. Ook moet je leerling met een beperking kunnen helpen. Dit zijn punten waar we zeker rekening mee moeten houden.
Je kon aan mevrouw v/d Werf zien dat ze het lesgeven op het MBO met veel passie doet. De lezing vond ik ook erg leerzaam, omdat ik zelf nooit te maken heb gehad met het MBO. Wel vond ik het jammer dat v/d Werf gebruik maakte van een groot klad papier waar zij de woorden opschreef. Dit was niet te lezen voor mensen die achterin zaten. Ik vond ook dat zij niet echt een uitleg over het MBO gaf, maar ons alleen maar een aantal afkortingen gaf, waarvan zij dan de betekenis uitlegde. Dit vond ik erg jammer. Verder kan ik wel zeggen dat ik er zeker wat van heb opgestoken.




Activiteiten in onderwijs naast het leraarschap
Er komt bij het leraarschap veel kijken. Het is niet zo dat je gewoon iedere dag alleen maar wat gaat lesgeven. De leraar moet zijn of haar lessen ook ‘voorbereiden’. Voorbereiden kan in de zin van kijken wat de leerlingen die les moeten doen en welke opdrachten ze moeten en moesten maken, maar kan ook zijn; een powerpoint maken, film zoeken om in de les te gaan kijken, een leerspelletje maken enz. Dit kan veel tijd kosten en veel leraren doen dit ook de avond van tevoren. Het voorbereiden van lessen gaat dus buiten de werktijden om, maar zorgt er wel voor dat de leraar weet dan wel goed wat hij/zij gaat doen. Dit zorgt er dan ook automatisch voor dat de leraar steviger in z’n schoenen zal staan. Goed voorbereiden, is het halve werk!
Het nakijken van proefwerken is ook iets dat buiten de lessen omgaat. Dit is iets wat veel leraren thuis moeten gaan doen. Er zit hier wel verschil in; het is vaak zo dat een docent Engels minder nakijkwerk heeft dan een docent geschiedenis. Bij geschiedenis proefwerken moeten hele verhalen opgeschreven worden, dat hoeft bij proefwerk Engels niet. Een gymleraar heeft ook minder nakijkwerk dan andere docenten, maar een gymleraar moet wel weer veel tijd besteden aan het voorbereidende werk (spullen klaarzetten). Even terug op het nakijken van proefwerken; leraren die op grote scholen werken, krijgen soms wel meer dan honderd proefwerken tegelijk die zij moeten nakijken binnen anderhalve week. Voor de leraren gaat hier heel veel tijd in zitten.
Praten met ouders is ook een vaardigheid die een leraar moet kunnen. Het praten met ouders zal een paar keer per jaar plaatsvinden. Dit gebeurt zowel overdag als ’s avonds. De leraar moet hierbij goed kunnen omgaan met ouders. Als een leerling z’n best niet doet, kun je niet tegen de ouders zeggen; ‘uw kind is gewoon dom’. Als de leraar weet met wie z’n ouder hij/zij moet praten, is het van belang dat de leraar ook daar een stukje voorbereidend werk van maakt. De docent moet wel goed weten wat hij/zij tegen de ouders van een leerling gaat zeggen en dat moet niet gebeuren op een kwetsende manier.
Als leraar ben je ook coach. Iedere leraar zal wel eens een mentorklasje krijgen. De leraar zal bij de mentorklas niet lesgeven in zijn/haar eigen vak. Bij een mentorklas moeten leerlingen worden gesteund en kunnen problemen die op school voorkomen worden opgelost. Ook gaat het bij een mentorles vaak zo dat de leerlingen moeten gaan onderzoeken welke opleiding zij in de toekomst willen gaan doen. Hierbij speelt ook de leraar een begeleidende rol. Veel leerlingen vinden het moeilijk om al een keuze voor de toekomst te maken en de leraar moet ze daarbij helpen, zodat de leerlingen een bewuste keuze maken die bij ze past. Als coach kun je ook de rol als vertrouwenspersoon toegegooid krijgen. De docent krijgt dan te maken met leerlingen die problemen hebben, zoals pesten, problemen thuis, slechte cijfers enz. Dit kan af en toe erg ingrijpend zijn voor een leraar en moet professioneel met de problemen kunnen omgaan.
Het organiseren van excursies behoort ook tot een rol die een leraar moet kunnen. Iedere klas zal wel op excursie gaan, dus er zal veel te organiseren zijn. Ook hier gaat veel tijd inzitten. Iedereen die helpt met het organiseren moet het met de plannen eens zijn. De excursie moet in het lesschema passen, mag niet te duur zijn en niet te ver weg enz. Er zijn bij het organiseren van een excursie veel punten waar rekening mee gehouden moet worden.
Tot slot moeten leraren vaak vergaderen over leerlingen en de school zelf. Ook zijn er voor leraren verschillende cursussen en studiedagen, waarvan zij wel een aantal moeten volgen. De kennis die een docent nodig heeft voor zijn/haar vak kan ook van tij tot tijd veranderen. Er komen nieuwere boeken, waar nieuwe kennis in staat. De leraar moet dan als het ware blijven ‘leren’ om deze kennis eigen te maken. Aan leraarschap zit wel het voordeel dat leraren ook zomer- en kerstvakantie hebben!








De rol van onderwijsinspectie
Vroeger was de rol van de onderwijsinspectie klein. Het was een instantie die alleen scholen toetste en rapportcijfers uitdeelde. De onderwijsinspectie heeft tegenwoordig een veel grotere rol gekregen. Het doel van de onderwijsinspectie is tegenwoordig de kwaliteit van het te verbeteren.
De school is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor haar kwaliteit. Deze regel werd in 2002 bepaald onder de naam de Wet op het Onderwijstoezicht. De onderwijsinspectie moet bij deze wet aansluiten, maar moet proberen de kwaliteitzorg te verbeteren. Dit doen zij zowel op het niveau van de scholen en instellingen als op het niveau van het onderwijsstelsel.
De rol van de onderwijsinspectie is ook de scholen op de hoogte stellen van de ontwikkelingen in de onderwijssector. Dit wordt gedaan door middel van het schrijven van een jaarlijkse Onderwijsverslag. De inspectie houdt van iedere school een dossier bij waarin onder andere bevindingen uit het PKO (Periodiek Kwaliteit Onderzoek), de schoolgidsen en de schoolplannen staan.
De missie van de onderwijsinspectie is ‘toezicht voor goed onderwijs’. Zij vinden het belangrijk dat elk kind recht heeft op goed onderwijs. Het is ook van belang dat leerlingen, studenten en ouders vertrouwen kunnen hebben in een school. Dat vertrouwen gaat ook gepaard met de kwaliteit van onderwijs. Het schoolbestuur is hierbij zelf verantwoordelijk voor die kwaliteit en moet zich dan ook verantwoorden over de resultaten. Voorbeelden van resultaten zijn: krijgen alle leerlingen voldoende kwaliteit, hebben de scholen de financiën op orde, houden de scholen zich aan de wet- en regelvorming? De onderwijsinspectie houdt toezicht op deze resultaten. Ook zal zij ervoor zorgen dat, gevraagd of ongevraagd, een rapport komt over de ontwikkelingen binnen het onderwijs. Zo zullen zij ook scholen gaan bezoeken en kijken of de scholen wel aan de eisen voldoen. Als zij hier niet aan voldoen, zal de onderwijsinspectie vaker op die school terugkeren en wordt de school als ‘matig’ gerapporteerd. De school moet dan zelf tot maatregelingen komen om te kijken hoe het beter kan, het is ten slotte hun verantwoordelijkheid. Als er dan geen verbetering komt, kan het zelfs zo zijn dat de onderwijsinspectie besluit de school te sluiten, dit moet wel in overleg met de minister van onderwijs.
Goed onderwijs bepaalt de inspectie niet zelf, zij houden zich slechts aan de wet en aan opvattingen over wat goed onderwijs hoort te zijn. De visie wat goed onderwijs is, verandert van tijd tot tijd. Als deze visie verandert, verandert de onderwijsinspectie haar kennis en opvattingen over onderwijs ook. Op basis van voorschriften in de verschillende onderwijswetten en andere aspecten van kwaliteit beoordeelt de onderwijsinspectie. Andere aspecten van kwaliteit zijn bijvoorbeeld het didactisch handelen van docenten, leerresultaten en het schoolklimaat. Uiteindelijk zijn de schoolprestaties van alle leerlingen bij elkaar leidend voor het toezicht.


Leraarschap

“De beste leraar is hij, die het meest van zijn leerlingen opsteekt”








Meeloopdag meneer Terpstra
Vandaag, 28 september, ben ik naar Bogerman Koudum gegaan. Ik heb daar vroeger op school gezeten dus het leek mij leuk om daar eens met een leraar mee te lopen. Ik heb bewust gekozen voor een leraar die ik nog niet kende: meneer Terpstra genaamd. Meneer Terpstra geeft les in Aardrijkskunde. Hij geeft les aan de onderbouw en de examenklas vmbo. Ik kreeg deze dag te maken met zowel de havoleerlingen als met de vmbo-leerlingen. Ik vond het erg interessant hoe meneer Terpstra zich uitte in de klas op deze verschillende niveaus. Hij reageerde anders op een havoleerling dan op een vmbo-leerling. Hierbij mijn verslag van hoe over het algemeen de lessen van meneer Terpstra eruit zagen. Ik heb bij het verslag gekozen voor een kritische kijk ten opzichte van het boek “de vijf rollen van de leraar”.
Buiten de klas om: Meneer Terpstra is een gezellige leraar. Hij heeft een sterke band met zijn leerlingen. Ik vond dat erg mooi om te zien. Als hij door de gangen liep, werd hij constant positief aangesproken door leerlingen.
Opening les: Vrijwel iedere les begint bij meneer Terpstra onrustig. Hij wacht buiten het lokaal tot iedereen aanwezig is. Het viel mij op dat hij niet echt de tijd neemt voor de opening. De leerlingen moesten vrijwel direct hun boeken pakken en centraal blijven.
Presentator: Meneer Terpstra vertelt de leerlingen duidelijk dat zij alle spullen voor elkaar moeten hebben en dat daar anders consequenties tegenover staan. Hij spreekt leerlingen op het gedrag aan en voor diegene die de spullen niet voor elkaar heeft verzint hij, afhankelijk van gedrag leerling, een consequentie. Zo moest een vierdejaars vmbo-leerling de les uit, maar een eerste klas havoleerling kreeg het alleen maar met lastige vragen te voortduren.
Didacticus: Al het huiswerk wordt steeds door meneer Terpstra gezamenlijk nagekeken. Hij vertelde mij dat hij dit doet, omdat hij het belangrijk vindt dat de leerling bewust met het huiswerk bezig gaan en dat zo zelfs de leerlingen die het niet hebben gemaakt ook de nodige informatie zullen krijgen. Daarbij zullen de leerlingen op deze manier eerder hun huiswerk maken, omdat zij niet geconfronteerd willen worden met het feit dat ze het niet gemaakt hebben en de medeleerlingen wel.
Op het moment van het huiswerk nakijken hebben de leerlingen de aandacht erbij en doen ze actief mee. De docent stelt zich open voor vragen en vertelt aan de leerlingen een boeiend verhaal. Meneer Terpstra spreekt de leerlingen persoonlijk aan als ze door hem heen praten. Als het voorkomt dat een leerling het huiswerk niet gemaakt heeft, betrekt hij hem/haar toch om de vraag door te nemen en te beantwoorden. In de vmbo examenklas was er een leerling die de nodige aandacht nodig had. De leerling gedroeg zich erg storend in de klas; praatte constant door andermans verhaal heen. Meneer Terpstra besluit na enige tijd en na enige waarschuwen de leerling uit de klas te sturen. Als afsluiting van het klassikaal nakijken, vertelt de docent alvast het huiswerk voor de volgende keer.
Het tijd om de leerlingen zelfstandig te laten werken. De leraar geeft de leerlingen opdrachten die ze moeten maken. Terwijl alle leerlingen actief bezig zijn met de opdrachten, loopt meneer Terpstra rond om vragen te kunnen beantwoorden. Alle vragen, hoe raar ze ook zijn, neem meneer Terpstra serieus. Er zijn leerlingen die vragen stellen die er eigenlijk niet toedoen of vragen die al voor de hand liggen, ook deze vragen beantwoordt de docent. Meneer Terpstra benadert samenwerkende groepjes leerlingen positief en met een open houding. Hij is bereidt om de leerlingen eventueel te begeleiden met het antwoorden van vagen.
Bij het zelfstandig werken was vooral bij de vmbo-leerlingen de orde ver te zoeken: leerlingen klieren en praten over bijvoorbeeld het weekend. Meneer Terpstra negeert dan die drukte en zet het digischerm aan. De leerlingen kunnen dan overzichtelijk op het scherm zien wat het huiswerk is. De smoes:’ik wist niet wat het huiswerk was’, kan dan niet gebruikt worden. Bij de vierdejaars vmbo-leerlingen begint meneer Terpstra mee te dollen met de grappen van deze examenkandidaten. Na het grappen herinnert hij de leerlingen eraan dat ze weer aan het werk moeten gaan en er wordt een tijd genoemd wanneer de opdrachten af moeten. De leerlingen luisteren en gaan weer actief aan het werk.
Nadat de leerlingen zelfstandig aan het werk zijn geweest begint de leraar weer klassikaal. Meneer Terpstra geeft uitleg over de hoofdstukken. De leerlingen die beginnen te storen, spreekt hij aan en laat hun duidelijk weten wanneer het genoeg is. Door middel van streng aankijken en leerlingen persoonlijk aan te spreken zorgt meneer Terpstra ervoor dat de leerlingen weer serieus blijven opletten. De vierdejaars vmbo-leerlingen hebben binnenkort een toets en de docent legt duidelijk uit wat belangrijk in het boek is om te leren. Dit legt hij ook d.m.v. het digischerm uit. Iedereen heeft dan de aandacht erbij en sommige leerlingen maken er aantekeningen van.
Pedagoog: er wordt eigenlijk niet geëvalueerd van wat de leerlingen van de les vonden en wat ze geleerd hebben. Het huiswerk weten ze al, dus daar wordt verder ook geen aandacht aan besteedt.
Afsluiting: net als bij de opening, is deze rol ook niet helemaal duidelijk. De leerlingen worden na het uitleg van de hoofdstukken vrijgelaten, maar de spullen opruimen mogen ze niet. De leerlingen moeten eerst wachten tot de bel gaat. Als de bel gaat ruimen de leerlingen op en verlaten de klas. Er is verder geen duidelijke afsluiting.
Reflectie docent: Meneer Terpstra vertelt mij dat hij bij klas vier meer ouwehoert dan met de eerste klas. Dit is omdat de eerste klas wel duidelijk moet weten dat hij leraar is en geen vriend. De vierde klas is eigenlijk alleen maar herhaling voor de leerlingen, dus vindt meneer Terpstra dat je daar wel een beetje bij kan ouwehoeren. Meneer Terpstra geeft wel toe dat hij vandaag de lessen niet helemaal goed voorbereidt had, wat voor enige chaos kon zorgen.




Meeloopdag meneer Van Schepen
12 oktober ben ik een dagje met meneer Van Schepen meegelopen. Meneer Van Schepen is werkzaam op het Bogerman te Koudum. Hij is al 26 jaar actief als wiskundedocent, daarnaast geeft hij les in informatiekunde. Ik heb op de onderbouw les gehad van meneer Van Schepen. Ik wilde graag een dagje met hem meelopen, omdat ik vind dat hij iedere klas onder controle kan houden. Dat zie je niet bij veel leraren. Ik vond het vooral opvallend hoe de kader/GT klas de aandacht er zo goed bij hield. Het grootste gedeelte van de les was klassikaal en dat vinden zulke leerlingen vaak erg lastig om dan de concentratie erbij te houden. Hierbij mijn verslag van die dag. Ik heb gekozen om de les volgens ‘de vijf rollen van een leraar’ te gaan volgen.
Buiten de les om: Meneer Van Schepen is een serieuze leraar. Hij leeft als het ware van de wiskunde. Als leerlingen hem op de gang aanspreken gaat het eigenlijk steeds over wiskunde. Ik vond het grappig dat meneer Van Schepen de ‘boefjes’ van de klas op de gang aansprak van:’ heb je het huiswerk wel af Robert?’.
Opening les: Meneer Van Schepen heeft de les al goed voorbereid. Wat er komend uur gaat gebeuren heeft hij alvast op het bord gezet. De leerlingen komen binnen en beginnen te praten met Meneer Van Schepen. Er komen vragen voorbij als:’ heeft u de cijfers al?’. Alle leerlingen gaan op hun plaats zitten. De tafels staan uit elkaar. Meneer Van Schepen begroet iedereen en laat de leerlingen nog even praten.
Presentator: Meneer Van Schepen begint de les aan te kondigen. De leerlingen stoppen met praten en kijken aandachtig naar meneer Van Schepen. Hij legt uit wat er komend uur gaat gebeuren en heeft daarvan een overzicht op het bord gemaakt. Op het bord staat ook al het huiswerk opgeschreven. Meneer Van Schepen wil dat iedereen dat alvast in zijn/haar agenda schrijft. Hij loopt dan even rondje door de klas om te kijken of iedereen het opgeschreven heeft.
Didacticus: Via het digischerm legt Meneer Van Schepen de gemaakte opdrachten uit. Er wordt dus klassikaal een aantal huiswerkopgaven nagekeken. Alle leerlingen letten goed en geven enthousiast antwoordt op vragen. Als leerlingen het even niet begrijpen, zijn ze ook niet te benauwd om tussendoor een vraag te stellen. Niemand praat door de les heen, alle leerlingen steken netjes hun vinger op. De leerlingen kunnen via het digischerm de wiskundesommen bekijken en hoeven zo niet steeds naar hun boek te kijken. Het valt mij op dat de kader/GT klas zeer goed op let bij het klassikaal nakijken en uitleg. Na lang te serieus te hebben opgelet, neemt meneer Van Schepen ook even de tijd om een grapje te maken. Dit zorgt ervoor dat er een leuke, maar aandachtige sfeer ontstaat in de klas. Ook heeft meneer Van Schepen allemaal vrolijke plaatjes om het digischerm, naast de wiskundesommen staan. Dit vind ik erg leuk voor de leerlingen, zo zien de opgaven er veel speelser uit en blijven de leerlingen alert. Meneer Van Schepen maakt ook een voorbeeldopgave op het bord, zodat leerlingen meer inzicht in de stof en de komende opdrachten zullen krijgen.
Dan krijgen de leerlingen opdrachten die zij zelfstandig moeten maken. Als leerlingen dan vragen tussendoor hebben, steken zij netjes hun vinger op en lopen op hun beurt met hun boek en schrift naar het bureau van meneer Van Schepen. De rest van de klas is stil aan het werk. Meneer Van Schepen loopt naar de leerlingen toe die iets te druk zijnen spreekt ze op een vriendelijke manier persoonlijk aan. Zo zei hij bijvoorbeeld tegen iemand:’Jose, ik zie nog geen zweetdruppels op je voorhoofd, ik zal dan maar snel aan het werk gaan’. Meneer Van Schepen loopt, als niemand meer vragen heeft, nog even de klas rond of het wel echt met iedereen wil lukken. Een kwartier voor het einde van de les worden de gemaakte opdrachten nog even nagekeken.
Pedagoog: Meneer Van Schepen vraagt of iedereen het wel snapt en of het allemaal goed gegaan is. Het huiswerk wordt nog eens herhaald.
Afsluiting: Meneer Van Schepen vraagt of iedereen de spullen wil opruimen en zegt wanneer hij hun weer zal zien in de les. Bij een aantal lessen bedankte hij de leerlingen voor de aandacht. Na de bel mogen de leerlingen gaan. Er zijn dan vaak nog leerlingen die even bij hem blijven staan praten.
Reflectie docent: Meneer Van Schepen vond het zelf goed gaan. Hij gaf mij een aantal tips als docentzijnde. Ook vertelde hij me dat de basis van orde in een klas is, dat je goed moet voorbereiden. Hij was de avond voor de lesdag tot laat nog bezig met het voorbereiden van alle lessen. Meneer Van Schepen zei ook dat veel docenten niet goed de les voorbereiden. Het is vaak zo dat juist die docenten een chaotisch klas krijgen. Ik vond dat erg nuttig om te weten.















Wat maakt mij geschikt voor deze opleiding?
De lerarenopleiding was niet mijn eerste keuze. Ik wilde de journalistiek in. Dit was voor mij onmogelijk, doordat ik dan niet meer mijn paarden kon trainen. Ik heb toen lang na zitten denken wat ik dan voor opleiding zal gaan doen. Ondanks dat ik meestal tienen in de eerste en tweede klas op geschiedenis haalde, was ik mij niet bewust van het feit dat geschiedenis wel iets voor mij kon zijn. In de vierde klas begon ik geschiedenis echt leuk te vinden, maar voor de klas staan leek mij helemaal niks. Ik had toen een docent die erg langdradig was. Ik had ook het vak ‘filosofie’, goh dat was me nog een vak! Ik ging met veel plezier naar de lessen van filosofie. Ik fascineerde me voor een vak, waar ik eerder nog nooit van gehoord had. Ik heb heel veel geleerd van filosofie en had ook een sterke band met de docente van filosofie. Zij had zoveel passie voor lesgeven, waardoor het een plezier was om haar voor de klas te zien staan. Ik hoefde voor filosofie ook niet veel te leren; ik vond het zo interessant, dat ik alles in de lessen al in me had opgenomen.
In de vijfde klas kreeg ik een nieuwe docente voor geschiedenis. Het was een jonge creatieve docente. Ik hield van haar manier van lesgeven en ging enorm mij best doen voor geschiedenis. Door haar manier van lesgeven, begon ik na te denken over het verschil van de docent die ik het jaar daarvoor had. Ik begon mij te beseffen dat het wel een hele uitdaging zal zijn om de leerlingen te blijven boeien en op een creatieve manier kunt lesgeven. Mij leek dat wel een leuke uitdaging en ik ging mij daar meer op richten. De weken daarna ging ik steeds op verschillende docenten letten. Ik ging ook letten op hoe leerlingen zich gingen gedragen in de lessen. Door de interessante geschiedenislessen kwam ik tot besef dat ik ook wel eens een leuke geschiedenis docent zou kunnen worden. De passie voor geschiedenis had ik al. Presentaties gingen mij, door mijn actieve houding, goed af.
Kortom, ik vind mij zeker geschikt voor deze opleiding. Het is op dit moment nog even wennen, maar ik ben er zeker van dat het allemaal goed komt.
Wat mij geschikt maakt?
· Ik ben sociaal tegenover anderen.
· Ik vind dat ik mij goed kan inleven in andermans situaties.
· Ik zie het snel aan iemand als er iets aan de hand is.
· Ik heb passie voor geschiedenis
· Ik kan goed presenteren.
· Ik kan goed met (oudere) kinderen omgaan.
· Ik heb heel bewust voor deze opleiding gekozen.
· Ik sta open voor veranderingen.
Er zijn natuurlijk wel vaardigheden die ik nog moet leren, zoals mijn geschiedenis kennis vergroten en die op een creatieve manier kunnen vertellen en uitleggen voor een klas. Ik moet ook kunnen omgaan met klassen. Ik bedoel daarbij dat ik om moet kunnen gaan met bepaalde moeilijke situaties (brutale leerlingen, leerlingen met problemen enz.). Ik moet hiervoor een manier ontwikkelen van hoe ik de leerlingen bij de les kan houden en moet deze manier eigen maken. Ik sta uiteraard open voor deze vaardigheden.
























Mijn beeld van de ideale leraar
Een ideale leraar bestaat in mijn ogen niet. Ik zal slechts uitleggen wat ik sterke punten van een leraar vindt. Na vijf jaar voortgezet onderwijs te hebben gehad, moet ik wel een beetje weten bij wat voor leraren mijn voorkeur lag. Hoe leuk ik een leraar ook vond, ze hadden allemaal wel hun minpunten. Dit verslag is compleet mijn eigen mening.
Voor mij heeft de ideale leraar een creatieve geest. De leraar kan op verschillende, creatieve manieren lesgeven. Ik bedoel daar ook mee dat de leraar zich zowel kan omgaan met een basis kader klas, als met een havo/vwo klas. Ik merk dat er leraren zijn die daar wel eens moeite mee hebben. Zo zijn er docenten die een havo/vwo klas als een basis kader klas behandelen en andersom. Dit kan negatief uitkomen; havo/vwo is veel theorie, voor veel basis kader leerlingen is het moeilijk vol te houden als zij de hele les theorie krijgen. Met een creatieve geest bedoel ik ook dat de leraar m.b.v. een kort filmpje, een powerpoint, groepswerk les kan geven. Zo hebben de leerlingen veel afwisseling. Ik vind dat leerlingen afwisseling in de lessen nodig hebben. Als ik kijk naar mezelf vond ik de lessen waarbij de leraar deze verschillende methodes gebruikte het interessants en dat interessante werd dan omgezet in : beter opletten, sneller iets leren en begrijpen, plezier hebben in de les, minder stress voor een toets.
De leraar moet zich kunnen inleven in de belevingswereld van de leerlingen. Dit vind ik ook belangrijk, omdat dit zorgt voor een sterkere band met je klas. Ook het positief kunnen aanspreken van leerlingen hoort daarbij. Het valt mij op dat veel leraren sneller wat negatiefs tegen de leerlingen zeggen, dan iets positiefs. Als de leraar begrip toont voor de leerlingen en zich kan inleven in de belevingswereld dan lijkt het mij ook meer dat logisch dat de leraar problemen ook sneller in de gaten zal gaan krijgen. Zo kunnen problemen die leerlingen hebben op tijd worden opgelost. Ondanks dat ik vind dat een leraar leerlingen persoonlijk moet benaderen en een band met ze moet gaan krijgen, vind ik wel dat een leraar niet een vriend moet zijn. Er is een heel klein verschil tussen een persoonlijke band met je leerlingen creëren en een vriend voor de leerlingen zijn. Een leraar moet niet vergeten dat hij de leerlingen iets moet ‘leren’ en een leidinggevende rol moet spelen. Als de leraar een vriend wordt kan dat tot confrontaties leiden. Als de leraar dan bijvoorbeeld een hand op een schouder van de leerling legt, kan dit tot enige misverstanden leiden. Ook kunnen leerlingen het hun ‘vriend’ kwalijk nemen als zij een slecht cijfer halen. De leerlingen zullen minder snel serieus met hun ‘vriend’ willen werken, waardoor het respect jegens de leraar afneemt. Ik vind dus dat een leraar een band met de leerlingen moet hebben, maar wel de nodige afstand tussen leraar-leerling moet bewaren.
Een leraar moet goed kunnen spreken en leerlingen vermaken, maar ook kunnen corrigeren. Er zijn leraren die geen boeiend verhaal kunnen vertellen. Als docent heb je dat wel nodig vind ik. Hoe beter je kan spreken en de leerlingen kunt vermaken (af en toe een grapje), hoe betere werkomgeving de leraar zal krijgen. Het is namelijk zo dat leerlingen beter opletten bij een goede enthousiaste spreker, dan bij een eentonige spreker waarbij de clou van het verhaal zoek is. Niet alleen goed vertellen is nodig, maar ook kunnen corrigeren. Leerlingen moeten respect hebben voor de leraar, maar wel op een leuke, vriendelijke manier. De drie punten die ik in deze alinea heb genoemd (spreken, vermaken, corrigeren), hebben gezamenlijk met een punt te maken: de houding van de leraar. Bij een goede zelfverzekerde houding zullen deze drie punten gemakkelijker afgaan. Een zelfverzekerd persoon praat automatisch vaak wel levendig en enthousiast, zelfverzekerde persoon kan op zekere hoogte individuen vermaken, een zelfverzekerde persoon staat stevig genoeg in z’n schoenen om anderen te corrigeren op fouten.
Als laatste kijk ik naar ‘de vijf rollen van de leraar’. Ik vind dat iedere leraar zich goed bewust moet zijn van de vijf rollen; De opening, de presentator, de didacticus, de pedagoog en de afsluiter. Veel leraren vergeten de eerste en de laatste regel. Bij het meelopen met een leraar viel mij erg op dat, mede doordat hij de eerste en laatste regel vergat, de klas chaotisch was. De leerlingen moesten direct spullen voor pakken aan het werk en na een uurtje les konden ze vertrekken om het even grof te zeggen. Voor een goede verloop van de les vind ik dat iedere docent zich aan de vijf rollen moet gaan houden.




















Conclusie



Van deze opdracht heb ik een veel beter beeld van zowel mezelf als van het beroep leraar en het onderwijs in Nederland. Het was allemaal erg veel werk, maar zinvol. Ik heb veel meer inzicht gekregen en mezelf kritische vragen moeten stellen.
Ik heb zelf altijd op de havo gezeten en mij nooit verdiept in het vmbo. Ik had altijd mijn vooroordelen, maar doordat ik heb meegelopen met leraren heb ik toch geleerd dat er niet zo heel veel verschillen zijn tussen een havo en vmbo leerling. Door deze vooroordelen ga je ze juist heel anders behandelen en dat is ook niet de bedoeling.
Ook heb ik geleerd dat leraar zijn niet gewoon even een dagje lesgeven is en voor de rest veel vrije tijd en vakanties: er komt veel en dan ook veel meer bij kijken. Dit is iets waar veel mensen zich op verkijken. De zin: ‘ je kunt altijd nog leraar worden’, was iets waar ik het altijd mee eens was. Nu is mijn beeld veranderd: je kunt niet zomaar een goede leraar zijn, je moet er zelf ook geschikt voor zijn. Er zijn genoeg mensen die niet geschikt als leraar zullen zijn. Heel misschien ben ik er ook wel niet geschikt voor. Dit zal ik de komende tijd moeten onderzoeken door ervaring in het onderwijs op te doen en ik ben mij ervan bewust dat het ook heel anders kan lopen dat ik misschien zou willen.
Het is nog een lange weg te gaan, voordat ik een goede leraar zal zijn en ik heb ontdekt dat dat zo makkelijk nog niet zal gaan. Ik zal eerst veel blunders maken en van mijn fouten moeten leren. Pas als je van je fouten wil leren, zal je als docent gaan groeien.














Literatuurlijst


Literatuurlijst
Boeken
Geerligs, Titus en Tjipke van der Veen, Lesgeven en zelfstandig leren ( 8e druk; Assen 1996 (1e druk 1980)) 242-246.
Slooter Martie. De vijf rollen van de leraar (2e druk; Amersfoort 2010 (1e druk 2009)).
Wiertzema, Klaas en Patricia Jansen, Basisprincipes van communicatie (4e druk; Amsterdam 2007 (1e druk 2004)).

Internetbronnen
Agora. Hoger beroep onderwijs. 15 juli 2010. Wikimedia Foundation Inc. 9 oktober 2010 <http://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Hoger_beroepsonderwijs&action=history>
Rengers, Merijn en Sahadat, Lanthe. Omstreden Haagse hbo-school sluit niet. 7 juni 2010. De persgroep, passie voor media, Nederland. 9 oktober 2010 <http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/992053/2010/06/07/Omstreden-Haagse-hbo-school-sluit-niet.dhtml>
De rol van de inspectie. 6 januari 2005. Stichting NOB. 8 oktober 2010 <http://www.stichtingnob.nl/page.jsp?opencats=100_103_5901_5913>
Grappige spreuken en gezegden over school, studenten, leren en studeren. 11 oktober 2010 <http://www.leukespreuk.nl/spreuken_school.htm>
Leerstijlen volgens Vermunt. 3 oktober 2010 <http://lerenleren.majestic-communications.com/test/index.htm>
Leerstijlentest van Kolb. Thesis bv. 3 oktober 2010 <http://www.thesis.nl/index.php?option=com_db8kolb&Itemid=42>
Schema Nederlands onderwijssysteem MBO HBO WO. VMBO HAVO VWO. 9 oktober 2010 <www.groenewoud.nl/bestanden/downloads/15.pdf>
Toezicht voor goed onderwijs. Inspectie van het onderwijs, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. 9 oktober 2010 <http://www.onderwijsinspectie.nl/organisatie/Missie>
Wat bepaalt uw identiteit?. Weekbladpers. 9 oktober 2010 <http://www.psychologiemagazine.nl/web/Tests/Tests-Persoonlijkheid/Test-Identiteit.htm>


Mondelinge bronnen
Leerling, meisje, HAVO-VWO jaar 3, 15 jaar
Leerling, meisje, VMBO-GT jaar 4, 16 jaar
Leraar Aardrijkskunde onderbouw, 34 jaar
Leraar Geschiedenis onderbouw, 40 jaar
Leraar Wiskunde onderbouw, 51 jaar